Zittend in een zetel met zicht op de IJzer schrijf ik in mijn dagboek. Buiten hoor ik de wind stevig waaien en de regen tikt op het raam. Het is het raam van een kamer die niet de mijne is. Een kamer in een bed and breakfast in een godverlaten plek nabij Diksmuide. Ik ben blij dat hij zo verlaten is want ik wil hier zonder afleiding lezen en schrijven. Door enkel tijd met mezelf door te brengen hoop ik een verloren stukje van mezelf terug te vinden.

Het gezellige, warme huis dat me beschermt tegen het natte herfstweer staat op een plek die in de Eerste Wereldoorlog ook verlaten werd door god. Om de vijand af te weren werden in oktober 1914 in Nieuwpoort de sluizen geopend waardoor de IJzervlakte onder water kwam te staan. Vier jaar lang ploeterden soldaten hier tot aan hun knieën door het water en in het slijk. Maar mijn voeten zijn droog en lekker warm door het wollen deken dat ik op me heb gelegd. Ik heb het niet koud maar vind het gezellig zo in die zetel met zicht op de IJzer, in die kamer die niet de mijne is.
Ik ga op het ronde bed liggen en staar door het dakraam naar de sterren. Ze verlichten de pikdonkere hemel. Terwijl ik in de matras wegzak herinner ik me het verhaal van mijn grootvader. Hij vertelde me over zijn oom die in 1916 als militair werd opgeroepen op de leeftijd van negentien jaar. Drie jaar lang verdedigde hij hier met andere jonge mannen de frontlijn. Ondertussen nestelde de gruwel van de oorlog zich in zijn brein en lichtte de pikdonkere hemel iedere nacht op door een explosie, gevolgd door een sterrenregen van bomscherven.
Ik ontwaak na een nachtje heerlijk slapen in het ronde bed. Het kleine stukje wereld rondom me ligt er vredig bij. Hier hangt een stilte boven de velden die ik heerlijk vind, maar die iets meer dan honderd jaar geleden een doodse stilte moet zijn geweest. Tijdens mijn ochtendmeditatie komt de gedachte voorbij dat de oom van mijn grootvader en duizend andere soldaten, en duizend en nog duizend soldaten, hier ook een stukje van zichzelf trachtten terug te vinden. De ene was op zoek naar zijn verstand terwijl de andere zijn afgerukte arm zocht.
Nadat ik de deur van het huis, met de kamer die niet de mijne is, achter me dichttrek bedenk ik me dat ik mezelf misschien wel heb teruggevonden. Ik voel me steviger met mijn voeten op die omgewoelde aarde langs de IJzer staan. De grond is nat door de aanhoudende regen van vorige nacht. En onder die natte grond, die wanneer ik er te lang op zou blijven trappelen in slijk zou veranderen, ligt de oom van mijn grootvader. Hij sneuvelde hier een maand voor hij tweeëntwintig zou worden. Een maand voor het einde van de oorlog. Ze hebben hem nog gezocht, maar nooit meer teruggevonden.